Vijfde vastenzondag.
Ik verstop me
voor de kinderen.
En voor hun boze buien.
(Of omdat ik me rot voel.)
Leve de maartse buien.
Een maïsstoppel
en een paardenbloem ernaast.
In de ochtendzon.
---
Tussen twee steken,
kijken naar een regenworm.
De geur van aarde.
---
Ik vertel de berk
over de duif in zijn kruin.
Hij leert mij rusten.
---
Achter het tuinhuis
blaast hij druppels van mijn neus,
de noordoostenwind.
---
Langs tulpen rollen
haagbeukblaadjes in het gras.
Iets te koud voor mij.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten