__________
Een boek lezen.
Een afspraak met de tandarts regelen.
Vragen waar het tomatenconcentraat
in de supermarkt staat.
Eten. Lopen. Op bezoek bij familie.
Een praatje met de hondenman.
Naar het oudercontact gaan.
Een vriendelijke lach.
Een patiëntenboek
voor een operatie invullen.
Werken. Slapengaan. Dromen.
Opstaan voor een ziek kind.
Of gewoon opstaan voor een nieuwe dag
en dan in de spiegel kijken.
In de spiegel kijken.
O, wat is het verdomd lastig
om voor de spiegel te staan
en jezelf te bekijken
als je niet kan stoppen
met drinken.